Interessante lessen uit recent Arrest HR over aansprakelijkheid Holding voor dochtervennootschappen

Op 31 maart jl. deed de HR uitspraak in een procedure waarin een moedervennootschap een art. 403 verklaring (uit boek 2 BW) voor een dochtervennootschap had ingetrokken. Met zo’n verklaring stelt de moedervennootschap zich aansprakelijk voor schulden van een of meer dochtervennootschappen.

Na intrekking van een 403-verklaring blijft de aansprakelijkheid van de moedervennootschap bestaan voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die door de dochtervennootschap zijn verricht voordat jegens de schuldeiser een beroep op de intrekking kan worden gedaan. Deze overblijvende aansprakelijkheid kan op de voet van art. 2:404 lid 3 BW ten opzichte van de schuldeiser worden beëindigd.

Voor zodanige beëindiging is onder meer vereist dat:

  1. de rechtspersoon waarvoor een 403-verklaring is afgelegd, niet meer tot de groep behoort,
  2. een mededeling van het voornemen tot beëindiging ten minste twee maanden lang ter inzage heeft gelegen bij het handelsregister, en
  3. ten minste twee maanden zijn verlopen na de aankondiging in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de mededeling ter inzage ligt.

Tot twee maanden na de aankondiging kan de schuldeiser voor wiens – gestelde – vordering nog aansprakelijkheid loopt, tegen het voornemen tot beëindiging verzet doen op de voet van art. 2:404 lid 5 BW. Indien de schuldeiser dit verlangt, moet ingevolge art. 2:404 lid 4 BW, op straffe van gegrondverklaring van het verzet, voor hem zekerheid worden gesteld of hem een andere waarborg worden gegeven voor de voldoening van zijn vorderingen waarvoor nog aansprakelijkheid loopt. Dit geldt niet als de schuldeiser na het beëindigen van de aansprakelijkheid voldoende waarborgen heeft dat deze vorderingen zullen worden voldaan. Gegrondverklaring van een verzet staat ingevolge art. 2:404 lid 3, aanhef en onder d, BW in de weg aan beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid ten opzichte van de schuldeiser die dit verzet heeft gedaan.

Een moedermaatschappij die deze aansprakelijkheid wil beëindigen, behoort dat niet te kunnen doen ten koste van de zekerheid van de schuldeiser voor de voldoening van een vordering waarvoor nog (mogelijke) aansprakelijkheid loopt.

Concreet geeft de HR voor de volgende regels voor de verzetprocedure (art. 2:404 BW):

  1. In de verzetprocedure wordt niet over de toewijsbaarheid van de vordering van de schuldeiser beslist;
  2. De rechter dient, in een geval waarin het bestaan en de omvang van de vordering zijn betwist, het verzet gegrond te verklaren, tenzij en voor zover hij de vordering onmiskenbaar ongegrond acht.
  3. De ondernemingskamer heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat de schuldeiser met de beëindiging van de (mogelijk) overblijvende aansprakelijkheid niet in een ongunstiger positie mag komen te verkeren dan die waarin hij verkeerde uit hoofde van de 403-verklaring.
  4. Aan het oordeel van de rechter over het bestaan en de omvang van een (mogelijk door de 403-verklaring gedekte) vordering, kunnen slechts beperkte motiveringseisen worden gesteld.

Conclusies:

  • Controleer in het handelsregister of voor de vennootschap waarmee je zaken doet een 403-verklaring bestaat en controleer opnieuw op het moment dat er financiële problemen (lijken te) zijn;
  • Teken altijd verzet aan als je (een) vordering(en) hebt op een vennootschap waarvoor de 403-verklaring ingetrokken is en betaling daarvan onzeker is.

Voor volledig arrest zie: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:546

Bel of mail mij als je hierover vragen hebt.

2017-05-08T11:28:01+00:00 Acquisitions, Financial|